Vier jaar plantsap-monitoring levert nieuwe inzichten op

1 oktober 2026 door Casper Hoegen

Wie alleen naar de grasmat kijkt, ziet niet wat er in de plant gebeurt. Plantsap-analyses kunnen daar een extra laag aan toevoegen. Vier jaar praktijkonderzoek van Vos Capelle en Power2Plants laat zien welke patronen gedurende het seizoen zichtbaar worden en hoe die informatie kan helpen bij het sturen op plantgezondheid.

Een grasmat die er vandaag goed uitziet, vertelt niet automatisch hoe de plant er werkelijk voor staat. Voedingsstoffen kunnen uit balans raken voordat dat zichtbaar wordt in kleur, groei of kwaliteit. Precies daar begint de meerwaarde van plantsap-monitoring. 

Vos Capelle en Power2Plants onderzochten de afgelopen vier jaar samen met verschillende greenkeepers en fieldmanagers de voedingstoestand van gras. Onder meer Feyenoord, RKC Waalwijk, HGM Golfbaan De Haar, Vos Golf & Sport, Oosthoek Greenkeeping en SBA Golf & Groen werkten mee. Op verschillende stadionvelden en golfbanen werden gedurende het seizoen regelmatig plantsap-analyses uitgevoerd. De meetresultaten werden steeds vergeleken met de praktijksituatie. Hoe ontwikkelt de kleur zich? Hoe is de groei? Hoe gedraagt de grasmat zich onder belasting? En zijn er aanwijzingen voor een toenemende gevoeligheid voor ziekten of andere problemen? Juist die combinatie van data en praktijkervaring leverde interessante inzichten op.

Kijken in de plant
Bij een plantsap-analyse wordt gekeken naar de actuele beschikbaarheid van voedingsstoffen in de plant. In totaal worden 21 hoofd- en sporenelementen gemeten. Daarnaast geven onder meer suikergehalte, EC en pH informatie over de toestand van de plant.

Daarmee biedt de methode een ander perspectief dan een traditionele drogestof-analyse. Waar een drogestof-analyse vooral inzicht geeft in de totale hoeveelheid voedingsstoffen in de bodem, laat een plantsap-analyse zien wat er op dat moment in de plant beschikbaar is. Dat maakt het mogelijk om ontwikkelingen gedurende het seizoen te volgen. Maar een meetwaarde is pas interessant als je weet wat die betekent voor de grasmat. Daarom werden de analyses tijdens het onderzoek steeds gekoppeld aan praktijkwaarnemingen en besproken met de betrokken greenkeepers en fieldmanagers.

Vier jaar plantsap-monitoring levert nieuwe inzichten op

Vijf patronen die opvielen
Vier jaar meten leverde een omvangrijke dataset op. Daarin kwamen een aantal patronen regelmatig terug.

1. Kalium relatief hoog
Op vrijwel alle onderzochte locaties werden relatief hoge kaliumwaarden gemeten. Kalium is essentieel voor gras, maar een overmaat kan invloed hebben op de opname van onder meer calcium en magnesium. Dat zijn geen onbelangrijke elementen. Calcium speelt onder andere een rol bij de opbouw van celwanden, terwijl magnesium betrokken is bij fotosynthese en de productie van suikers. Niet alleen de hoeveelheid van een element is dus van belang, maar ook de onderlinge verhouding.

2. Ammonium als aandachtspunt
Ook ammonium kwam regelmatig relatief hoog uit de analyses. Ammonium is afkomstig uit ammonium houdende meststoffen en ontstaat eveneens bij de omzetting van ureum in de bodem. Een hoge ammoniumbelasting kan de opname van andere voedingsstoffen beïnvloeden. Daarnaast kost het verwerken van ammonium energie. Dat maakt de verhouding tussen beschikbare mineralen en koolstof interessant.

3. Silicium vaak laag
Een derde terugkerende waarneming was een relatief lage siliciumwaarde. Silicium wordt in verband gebracht met onder meer sterkere celwanden en de natuurlijke afweer van planten. De metingen geven daarmee aanleiding om ook dit element mee te nemen in de bredere beoordeling van de voedingstoestand.

4. Sporenelementen verdienen aandacht
Ook verschillende sporenelementen lieten regelmatig lage waarden zien. Het ging onder meer om ijzer, mangaan, zink, borium, koper en molybdeen. Dat een element in de bodem aanwezig is, betekent niet automatisch dat het ook beschikbaar is voor de plant. Opname is afhankelijk van meerdere factoren. De sporenelementen zijn betrokken bij processen als fotosynthese, stikstofomzetting en eiwitsynthese en kunnen daarmee bijdragen aan de vitaliteit van de grasplant.

5. De relatie tussen suikers en minerale belasting
Misschien wel één van de meest interessante ontwikkelingen was de verandering die gedurende het seizoen werd gezien: richting de zomer daalde het suikergehalte regelmatig, terwijl EC- en ammoniumwaarden opliepen. Dat kan wijzen op een toenemende minerale belasting van de plant op een moment dat de beschikbare koolstofvoorraad juist kleiner wordt. Vooral de verwerking van ammonium vraagt energie. Wanneer de koolstofvoorraad beperkt is, kan daardoor een onbalans ontstaan tussen de beschikbare energie en de hoeveelheid mineralen die de plant moet verwerken.

Voor de greenkeeper en fieldmanager is dat interessant, omdat dergelijke ontwikkelingen mogelijk zichtbaar worden voordat de grasmat duidelijke symptomen laat zien.

De plant werkt samen met het bodemleven
Plantgezondheid houdt bovendien niet op bij de plant zelf. Rond de wortels bevindt zich een complex bodemleven van onder meer bacteriën en schimmels. Deze micro-organismen spelen een rol bij de beschikbaarheid van voedingsstoffen en kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van de plant. De relatie werkt twee kanten op. Via de wortels geeft de plant suikers af aan het bodemleven. Deze zogenoemde exudaten vormen een belangrijke energiebron voor micro-organismen.
Ook op intensief gebruikte stadionvelden en kort gemaaide greens verdient die relatie aandacht. Een bemestingsstrategie gaat daarmee niet alleen over de vraag hoeveel voeding een plant krijgt, maar ook over de omstandigheden waarin plant en bodemleven samenwerken.

Van meten naar bijsturen
De inzichten uit het onderzoek worden meegenomen in de bemestingsstrategieën van Vos Capelle. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de balans tussen verschillende stikstofvormen, het kaliumaanbod, de beschikbaarheid van silicium en sporenelementen en de koolstofvoorziening.

Ook vloeibare bemesting krijgt daarin een meer prominente plaats. Vos Capelle ontwikkelde hiervoor onder meer VOSCA+ Liquid Turf, een product met aminozuren, silicium, sporenelementen en direct beschikbare suikers. Het product is vrij van ureum en ammonium. De gedachte daarachter is niet simpelweg 'meer voeding geven', maar gerichter aansluiten bij wat de plant nodig heeft.

Van losse meting naar een ontwikkeling in de tijd
De volgende stap is het zichtbaar maken van die ontwikkelingen. Daarvoor ontwikkelde Vos Capelle het VOSCA plantsap-dashboard. Het dashboard verzamelt de plantsap-analyses en zet de resultaten overzichtelijk in de tijd. Hierdoor wordt niet alleen een afzonderlijke meetwaarde zichtbaar, maar vooral de ontwikkeling gedurende het seizoen. Voor de praktijk zit de meerwaarde vooral in het combineren van die gegevens met wat de greenkeeper of fieldmanager buiten ziet. Een stijgende ammoniumwaarde, een dalend suikergehalte of een veranderende verhouding tussen verschillende elementen krijgt pas betekenis wanneer die gegevens worden gekoppeld aan de omstandigheden op het veld of golfbaan.

Niet de data, maar de beslissing
Vier jaar plantsap-monitoring levert vooral veel data op. De uitdaging is vervolgens om van die data bruikbare informatie te maken. Daar ligt volgens Vos Capelle de rol van monitoring: niet om de praktijkkennis van de greenkeeper of fieldmanager te vervangen, maar om die kennis aan te vullen met informatie die met het blote oog niet zichtbaar is.

De komende jaren zetten Vos Capelle en Power2Plants het onderzoek voort. Daarbij wordt verder gewerkt aan het verfijnen van streefwaarden en het ontwikkelen van bemestingsstrategieën die beter aansluiten op de behoefte van de grasplant. Want uiteindelijk draait het niet om de mooiste grafiek of de meest uitgebreide analyse. Het gaat erom dat de data helpt om eerder te begrijpen wat er in de grasplant gebeurt en daarmee beter onderbouwde keuzes te maken op het veld.

Vier jaar plantsap-monitoring levert nieuwe inzichten op
Vier jaar plantsap-monitoring levert nieuwe inzichten op